Creeer een uniform juridisch kader voor contracten in de bouwsector

Een permanente commissie zou de verantwoordelijkheid moeten krijgen voor het tot stand brengen van één uniform juridisch-administratief kader voor verschillende typen contractverhoudingen in de bouwsector. Dat stelt hoogleraar Privaatrechtelijk bouwrecht van Tilburg University op vrijdag 25 april 2014 in zijn in inaugurele rede. Zo’n coherent kader zou het proces van vernieuwing en verandering in de bouw ten goede komen.

 

 

In zijn rede stelt Jansen dat het naast elkaar bestaan van de huidige UAV 2012 (Uniforme Administratieve Voorwaarden) en de UAVgc 2005 (Uniforme Administratieve Voorwaarden voor Geïntegreerde Contractvormen) om verschillende redenen problematisch is. Deze standaardvoorwaarden zijn weliswaar op dezelfde uitgangspunten gebaseerd, maar geschreven voor de traditionele bouworganisatievormen (bouwer voert alleen uit) respectievelijk de geïntegreerde (bouwer ontwerpt én voert uit). De bouwpraktijk zoekt de grenzen tussen deze bouworganisatievormen regelmatig op, hetzij door “traditioneel” te contracteren, met aandacht voor elementen die horen bij geïntegreerd werken, hetzij door juist het omgekeerde te doen.

 

In plaats van dat het bestaande juridisch-administratieve kader deze praktijk faciliteert, lijkt het er eerder op dat het naast elkaar bestaan van de UAV en de UAVgc ertoe bijdraagt dat de bouwpraktijk het uitvoeren van projecten binnen traditionele en geïntegreerde contractverhoudingen als twee verschillende werelden ervaart. Dat kan niet alleen leiden tot onduidelijkheid wanneer de praktijk de grenzen van het toepassingsgebied van beide sets van voorwaarden opzoekt, maar ook tot terughoudendheid van traditioneel ingestelde opdrachtgevers om te kiezen voor een meer geïntegreerde manier van werken. Het meerjarige proces van vernieuwing en verandering in de bouw is daar niet bij gebaat.

 

Jansen stelt daarom voor de UAV in de UAVgc te integreren tot één coherent juridisch-administratief kader, dat zowel voor de traditionele als de geïntegreerde bouworganisatievormen bruikbaar is. Ook andere standaardvoorwaarden zouden in dat kader kunnen worden geïntegreerd. Bijkomend voordeel is dat een dergelijk kader ook actuele en toekomstige bouwbrede ontwikkelingen op coherente wijze kan herbergen en faciliteren. Daarbij valt te denken aan ontwikkelingen met betrekking tot het “markt, tenzij”-principe, BIM, ketenintegratie, Best Value Procurement en de verbetering van kwaliteitsborging in het bouwproces, al dan niet door verbetering van (interactieve) communicatie en samenwerking tussen de actoren in het bouwproces.

 

 

Prof. mr. C.E.C. Jansen (1968) is hoogleraar Privaatrechtelijk bouwrecht aan Tilburg University. Na zijn studie Nederlands recht promoveerde hij in 1998 aan diezelfde universiteit op een proefschrift over het Europese bouwcontractenrecht. Hij was vervolgens medeverantwoordelijk voor het opstellen van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor Geïntegreerde Contractvormen (UAVgc), de Principles of European Law on Services Contracts (PEL SC) en de Leidraad Aanbesteden Bouwopdrachten. Ook schreef hij een preadviezen voor de Vereniging voor Bouwrecht (over de aanbesteding van complexe infrastructurele D&C-projecten) en de Nederlandse Vereniging voor Aanbestedingsrecht. Chris Jansen combineert zijn leerstoel aan Tilburg University met een leerstoel aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, waar hij sinds 2004 werkzaam is als hoogleraar Privaatrecht. Sinds 2013 is hij tevens vicevoorzitter van de op basis van de Aanbestedingswet 2012 ingestelde Commissie van Aanbestedingsexperts. Daarnaast is hij raadsheer-plaatsvervanger in het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch en voorzitter van de Vereniging voor Bouwrecht.

Medialand